Wonen: Nederlands oefenen
Oefen Nederlands voor je inburgering over het onderwerp Wonen, van A1 tot B1. Hier vind je de lessen, woorden die erbij horen en voorbeeldvragen uit de vragenbank.
Dit onderwerp hoort bij Thuis en gezin. Alle onderwerpen
Lessen
Er zijn 3 korte lessen over dit onderwerp. Een les heeft 8 vragen en duurt ongeveer 8 minuten.
Woorden bij dit onderwerp
Deze Nederlandse woorden kom je vaak tegen bij dit onderwerp.
- huis
- huur
- huurder
- verhuurder
- buren
- appartement
- woning
- verhuizen
- adres
Voorbeeldvragen
Een paar vragen uit de vragenbank van DutchKlaar. Denk eerst zelf na, en open dan het antwoord.
Vraag 1 · Niveau A1
Ik ___ in Utrecht.
Typ het antwoord.
Bekijk het antwoord
Antwoord: woon
Uitleg: Bij ik gebruik je woon: ik woon.
Vraag 2 · Niveau A2
Er komt een glazenwasser. Wat doet hij?
Kies het goede antwoord.
Bekijk het antwoord
Antwoord: Hij maakt de ramen schoon.
Uitleg: Een glazenwasser maakt de ramen schoon.
Vraag 3 · Niveau B1
Maak een gewone zin, geen vraag.
Zet de woorden in de goede volgorde.
Bekijk het antwoord
Antwoord: Ik betaal elke maand de huur
Uitleg: Je kunt de zin ook met 'Elke maand' beginnen. Beide volgordes zijn goed.
Vraag 4 · Niveau A1
Wat vraagt de man? "Wat is uw adres?"
Kies het goede antwoord.
Bekijk het antwoord
Antwoord: Waar je woont
Uitleg: Een adres is de straat, het huisnummer en de plaats waar je woont.