Vervoer: Nederlands oefenen

Oefen Nederlands voor je inburgering over het onderwerp Vervoer, op A1 en A2. Hier vind je de lessen, woorden die erbij horen en voorbeeldvragen uit de vragenbank.

Dit onderwerp hoort bij Dingen regelen. Alle onderwerpen

Lessen

Er zijn 2 korte lessen over dit onderwerp. Een les heeft 8 vragen en duurt ongeveer 8 minuten.

Woorden bij dit onderwerp

Deze Nederlandse woorden kom je vaak tegen bij dit onderwerp.

  • bus
  • trein
  • fiets
  • ov
  • auto
  • station
  • kaartje
  • route
  • vertraging

Voorbeeldvragen

Een paar vragen uit de vragenbank van DutchKlaar. Denk eerst zelf na, en open dan het antwoord.

  1. Vraag 1 · Niveau A2

    Gisteren was ik te laat. De bus ___ niet op tijd. Welk woord past?

    Kies het goede antwoord.

    • kwam
    • komt
    • komen
    Bekijk het antwoord

    Antwoord: kwam

    Uitleg: Gisteren is verleden tijd. Het is: de bus kwam niet op tijd.

  2. Vraag 2 · Niveau A2

    Maak een vraag.

    Zet de woorden in de goede volgorde.

    • hier
    • ik
    • Moet
    • overstappen
    Bekijk het antwoord

    Antwoord: Moet ik hier overstappen

    Uitleg: Bij een vraag staat het werkwoord vooraan.

  3. Vraag 3 · Niveau A2

    Je wilt met de bus reizen. Wat heb je nodig om in te checken?

    Kies het goede antwoord.

    • Een OV-chipkaart
    • Een paspoort
    • Een rijbewijs
    Bekijk het antwoord

    Antwoord: Een OV-chipkaart

    Uitleg: Met de OV-chipkaart check je in en uit in de bus.

Meer oefenen